3 manieren om beweging te fotograferen

Hoe laat je in je foto beweging zien? Een foto is natuurlijk gewoon een stilstaand beeld. In dit artikel laat ik je zien hoe je met jouw camera tóch de illusie kan wekken dat er iets beweegt in jouw foto. Lees je mee?

Oh ja, en als jij nou een hele gave actiefoto van een voertuig hebt gemaakt, deel hem dan in de Xpozer Fotowedstrijd!

Om te beginnen bespreek ik de belangrijkste instellingen die je in je camera kunt doen om tot het gewenste bewegingsonscherpte-effect te komen. Als je weet wat die instellingen precies inhouden, kun je ze gaan toepassen op de juiste manier. Hoe je de instellingen precies doet, verschilt per camera. De terminologie is gelukkig bij alle camera’s gelijk bij deze belangrijke instellingen. Voor het geval je camera Engels spreekt, heb ik de vertalingen bij de titels gezet. Dat is wel zo makkelijk zoeken in je cameramenu.

Ik zal in dit artikel één en ander uitleggen over hoe je de camerasensor beïnvloedt met je instellingen. De sensor is een stukje hardware achter te lens, en zorgt ervoor dat alles wat er aan lichtsignaal binnenkomt, wordt omgezet in elektrische signalen. Het is het equivalent van het ouderwetse filmrolletje. Dat is eigenlijk alles wat je hoeft te weten. Ik zal je niet vervelen met technische details.

Sluitertijd, ISO en diafragma

Weet jij alles over sluitertijd, ISO en diafragma al? Lees dan hier verder over de 3 opties om beweging in je foto's te laten zien >

De heilige drie-eenheid: sluitertijd, ISO en diafragma. Deze drie camera-instellingen bepalen samen voor het grootste deel jouw eindresultaat. Ze bepalen samen het licht en de scherpte van je foto, en zijn van elkaar afhankelijk. Zo werken ze:

1. Sluitertijd (Engels: shutter speed)

De sluitertijd bepaalt hoe lang je jouw camerasensor belicht.

De sluitertijd kan zo lang of kort zijn als jij wilt. Een kortere sluitertijd houdt je onderwerp nog duidelijk herkenbaar. Een langere sluitertijd maakt je onderwerp minder of niet herkenbaar, maar kan wel bijzondere plaatjes opleveren.

2. ISO (Engels: ISO)

De ISO-waarde bepaalt hoe gevoelig de sensor is voor licht.

Wanneer je merkt dat je foto te licht wordt, doordat je langer licht toelaat op je camerasensor bij een langere sluitertijd, zet je je ISO-waarde omlaag. Een lager ISO-getal maakt je camera’s sensor minder gevoelig voor licht. Daardoor raakt je foto minder snel overbelicht.

3. Diafragma (Engels: aperture)

De grootte van het diafragma bepaalt hoeveel licht er bij de sensor komt.

Het diafragma bestaat uit een soort klepjes in je lens. Die klepjes kun je dichter bij elkaar brengen om de opening van je lens kleiner te maken. Of je brengt de klepjes verder uit elkaar om de opening van je lens groter te maken.

F-getal

De opening van het diafragma wordt uitgedrukt in een f-getal. Hoe kleiner de opening, hoe groter het f-getal. Een heel klein f-getal zorgt dus voor een grote opening. Hierdoor valt er meer licht op de sensor.


Scherptediepte

Het diafragma heeft direct invloed op de scherptediepte. Een grote scherptediepte betekent dat een groot deel van je foto scherp is. Een kleine scherptediepte betekent dat een klein deel van je foto scherp is. In de foto van het diafragma hieronder zie je een kleine scherptediepte. Er is dus een heel klein deel van de foto scherp. Alleen die klepjes van het diafragma zijn scherp, de rest valt buiten het scherpe gebied in de foto. 

diafragma

Het diafragma bepaalt hoeveel licht er bij de sensor van je camera kan komen.

Zie in het onderstaande overzicht de samenhang tussen scherptediepte, f-getal en lichtgevoeligheid.

Diafragma

F-getal

Sensor

Scherptediepte

Klein

Hoog

Neemt minder licht op

Groot gebied in foto is scherp

Groot

Laag

Neemt veel licht op

Klein gebied in foto is scherp

Als je diafragma klein is, is het f-getal hoog, en vangt je sensor meer licht op. Daardoor wordt de scherptediepte groter.

Met een groter diafragma en dus een lager f-getal neemt de sensor veel licht op en is de scherptediepte kleiner.

Tip: Gebruik Manual Mode

Zet je camera op Manual (M) mode om zelf complete controle te hebben over alle camera-instellingen. Zo voorkom je dat je camera 'helpt' met het aanpassen van instellingen.

Nu ken je de belangrijkste instellingen

Tot zover de belangrijkste info over hoe jouw camera werkt. Sluitertijd, ISO en diafragma werken samen om jouw foto op het gebied van scherpte en licht te beïnvloeden. Na veel oefening weet jij precies hoe deze instellingen samenwerken en heb jij binnen no-time de juiste waardes gevonden in verschillende omstandigheden.


Bewegingsonscherpte optie 1:
Onderwerp in beweging, omgeving stil

Je kunt beweging op een foto laten zien zoals een mens beweging waarneemt. Jij als mens ziet dat iets beweegt, omdat je waarneemt dat de afstand tussen jouzelf en het onderwerp verandert, maar de afstand tussen jouzelf en de omgeving niet verandert. 

bird's eye view

Een camera kan een beweging vastleggen, door een langere opname te maken. De camera legt dan een stilstaand beeld vast van de omgeving, en het onderwerp wordt onscherp. De beweging van het onderwerp wordt zichtbaar in de foto, doordat lijnen een soort vegen worden en kleuren door elkaar lopen. Je kunt hier heel leuk mee spelen, en heel abstracte beelden maken van bijvoorbeeld een snelweg of treinstation.

Hoe ga je te werk?

Voor een onscherp onderwerp en haarscherpe omgeving, mag je aan een aantal belangrijke punten niet vergeten. Sluitertijd, statief, ISO-waarde en zelfontspanner zijn bijvoorbeeld belangrijke punten. Hieronder leg ik uit waar je op moet letten.


Statief

Statieven zijn onhandig, groot en soms zwaar. Toch heb je een statief soms echt heel hard nodig om je foto haarscherp te krijgen op de gewenste plekken. Zeker wanneer je werkt met langere sluitertijden, is een statief je beste vriend. Uit de losse pols kun je, als je een heel vaste hand hebt, misschien nog scherpe foto’s schieten bij 1/100 van een seconde. Maak je je sluitertijd langer, dan wordt het wel heel lastig om scherpe foto’s te maken. Vergeet niet de beeldstabilisatie-functie van je camera uit te zetten als je fotografeert met statief.


Zelfontspanner (Engels: timer)

Zelfs al heb je het beste statief, gebruik ook de zelfontspanner als je écht geen bewegingsonscherpte door bewegingen van de camera wilt vastleggen. Doordat je de ontspanknop indrukt om je foto te maken, beweegt je camera. Ook al is dit maar een heel klein beetje, bij een lange sluitertijd telt iedere minuscule beweging.


Onderwerpkeuze

Je kunt ditzelfde trucje toepassen op verschillende onderwerpen. Voertuigen, mensen, watervallen, vuurwerk en de zee zijn voorbeelden van interessante onderwerpen die je met een lange sluitertijd kunt vastleggen. 

Tips voor je camera-instellingen

De keuze van je onderwerp bepaalt hoe je je camera instelt. Hetzelfde geldt voor de lichtomstandigheden. 


Tip 1: Voorkom onnodig lange sluitertijd

Bij snellere bewegingen van je onderwerp heb je een minder lange sluitertijd nodig om die beweging vast te kunnen leggen. Met een minder lange sluitertijd raakt je foto minder snel overbelicht.


Tip 2: Voorkom overbelichting


Nog een reden om je sluitertijd niet te lang te maken: het risico op overbelichting. Bij heel lichte omstandigheden, bijvoorbeeld buiten bij zonlicht, kun je niet een te lange sluitertijd gebruiken. Je camera’s sensor raakt overbelicht en je foto wordt wit. Om dit te voorkomen, zorg je voor minder licht in je opname (als dit kan) en zet je je ISO omlaag.


Tip 3: Voorkom ruis door te hoge ISO-waarde


Speel met de sluitertijd tot je het gewenste bewegingseffect krijgt, maar speel zeker ook met de ISO-waarde tot je de juiste hoeveelheid licht hebt. Buiten overdag zet je je ISO op zijn laagst bij langere sluitertijden. Pas op met hogere ISO-waarden, want die zorgen voor ruis in je foto. Het verschilt per camera vanaf welke waarde ruis ontstaat. Dit zul je zelf dus met je eigen camera moeten gaan ontdekken.


Tip 4: Belichtingscompensatie


Sommige lichtomstandigheden zijn voor je camera erg lastig. Om je camera's belichting te sturen, heb je altijd nog de belichtingscompensatie. Dit is soms een knopje met een plus- en minteken, en soms een draaiwieltje met getallen -3 tot en met +3.

Voorbeeld: Een witte poolhond in een zonnig sneeuwlandschap laat je camera al gauw denken dat het (te) ver moet onderbelichten. Stel je belichtingscompensatie in op +1 of +2 en je ziet dat de belichting al veel beter wordt.


Bewegingsonscherpte optie 2: Onderwerp stil, omgeving in beweging

Je kunt beweging ook laten zien door juist je onderwerp haarscherp in beeld te brengen en de omgeving te laten ‘bewegen’. Je moet hierbij met je camera het onderwerp ‘volgen’, zodat je onderwerp geen bewegingsonscherpte krijgt. Door jouw eigen beweging wordt de omgeving dan wel onscherp.

Hoe ga je te werk?

Voor een haarscherp onderwerp in een ‘bewogen’ omgeving, stel je je camera in op deze situatie. Je kiest een sluitertijd, ISO en diafragma. Waar let je op?

Sluitertijd

Je sluitertijd stel je in afhankelijk van je wensen. Bij sluitertijden langer dan 1/100 seconde kun je al bewegingen gaan zien in je foto. Speel met verschillende sluitertijden om de effecten te vergelijken.


Scherpstellen (Engels: focus)

Als je jouw onderwerp met je camera gaat ‘volgen’, kun je wel wat hulp gebruiken. Normale autofocus (automatisch scherpstellen) is dan echt niet handig. Je wilt je camera het onderwerp scherp laten houden. Daarom kies je voor continuous autofocus (ook wel AF-C genoemd). Je houdt de ontspanknop half ingedrukt om je onderwerp te ‘selecteren’. Check even of je onderwerp goed wordt gevolgd door het rechthoekje in je scherm. Vervolgens kun je gaan fotograferen door de knop helemaal in te drukken.


Continu fotograferen

Ook wil je geen moment missen. Daarom kies je voor de ‘continu modus’ van je camera (Engels: continuous shot/burst mode). Hierbij worden er continu foto’s gemaakt zolang je de ontspanknop ingedrukt houdt. 

Tip: Bij Canon heet dit ook wel ‘AI SERVO’ of ‘SERVO AF’. 


ISO

Wordt je sluitertijd langer, verlaag je ISO dan. Zo wordt je sensor minder lichtgevoelig en worden je foto’s niet te licht.


Diafragma

Je diafragma bepaalt mede hoeveel van de achtergrond en voorgrond scherp zijn. Als je je hele onderwerp en meer scherp wilt hebben, heb je een grotere scherptediepte nodig, dus zet je je f-getal hoger. Wil je maar een klein deel van het bewegende onderwerp scherp hebben, zet je je f-getal lager.


Statief

Een gewone driepoot is niet zo nuttig om dit effect te creëeren, tenzij je horizontale beweging wilt volgen (pannen). Je hebt in andere gevallen meer aan een stabilisatiesysteem. Dat is een houder voor je camera die je camera recht houdt, ook al beweeg jij zelf. Zo’n systeem heet een gimbal en heb je al vanaf een paar tientjes tot in de honderden euro’s.


Onderwerpkeuze

Deze techniek kan een heel mooi effect geven bij bijvoorbeeld een bewegend voertuig, sport, rennende dieren of mensen.

Tips voor je camera-instellingen

De tips uit het vorige hoofdstuk gelden hier ook. Nog enkele aanvullingen voor deze specifieke techniek lees je hieronder.

Belichting en scherpte zijn voor alle foto’s de belangrijkste ingrediënten voor succes. Als je jouw onderwerp scherp en de omgeving onscherp wilt hebben, let dan hierop:

Tip 1: Continuous shot
Kies voor het scherpstellen de modus continuous shot.

Tip 2: Gimbal
Gebruik indien mogelijk een camerastabilisator/gimbal of statief om de juiste delen in de foto scherp te krijgen.


Optie 3: Actie in stilstaand beeld

Ook zonder bewegingsonscherpte kun tóch je actie in je foto laten zien. Kijk maar eens naar de foto van de auto hieronder. Er is weinig bewegingsonscherpte te zien, maar je ziet toch duidelijk dat er van alles beweegt. Je weet natuurlijk uit ervaring dat die zandkorrels door de lucht vliegen. Je beeldt je hierdoor de beweging in. Het effect wordt versterkt door de compositie.


Door je camera schuin te houden, of je onderwerp schuin in beeld te brengen, maak je je foto een stuk spannender. Let op de lijnen in de foto. Staat alles kaarsrecht? Dan lijkt alles stil te staan. Staat alles schots en scheef? Dan lijkt er een hoop te gebeuren en te bewegen.

Ook al is er geen bewegingsonscherpte te zien, je weet dat die druppels niet in de lucht zweven. Je weet welke beweging er gaande is tijdens het maken van de foto. De beweging zie je misschien niet echt, toch bedenk je de beweging er zelf bij.

Ook in de foto hieronder is goed nagedacht over de compositie. Alle schuine lijnen doen het lijken alsof alles in de foto beweegt. Als je iets aandachtiger kijkt, dan zie je al gauw dat alles haarscherp is, en er geen enkele bewegingsonscherpte te zien is.

Bewegingsonscherpte = oefenen, oefenen, oefenen

Pak je spullen, en ga fotograferen. Als je weet hoe je camera werkt, kun je gaan experimenteren. Je zult merken dat je foto’s al gauw beter en beter worden naar mate je bewuster keuzes maakt.


Je beste resultaten bestel je op Xpozer of uploadt je eerst in de Xpozer Fotowedstrijd (en wie weet win jij dan wel een gratis Xpozer 4Pack!).

Misschien vind je deze artikelen ook interessant:

De 5 basisbewerkingen voor elke foto >

Fotografeer voor je muur >